Natuurgeneeskunde
  
 
 
 
 
 
 

© Natuurgeneeskundig
Collectief 2008

Wat is natuurgeneeskunde | Ontstaan van de westerse natuurgeneeskunde

Mesopotamische geneeskunst: rond 4000 jaar voor Christus
Priesterartsen hadden een uitgebreide empirische kennis van de geneeskunst, die gebaseerd was op magische-religieuze praktijken.
Iriscopie was reeds bekend als diagnosemethode, waar verbanden met de astrologie werden gelegd.
In Mesopotamie, tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris (Turkije), zijn de vroegst bekende beschavingen ontstaan.
Uit de duizenden nog bestaande kleitafels van deze relatief hoge beschavingen blijkt, dat de artsen - priesterstand een grote kennis had van de biologie en zich diagnostisch-therapeutisch had verdiept. Er zijn talloze kleitabletten gevonden met opsommingen van geneeskruiden en therapeutische teksten. De Mesopotamische geneeskunst kende ten minste 250 geneeskrachtige kruiden en 120 minerale geneesmiddelen.

Egyptische geneeskunst: 3000 jaar voor Christus
Specialisatie van de geneeskunst, er ontstonden genezers op gebieden als, oogziekten, maagziekten, longziekten enz.
De Egyptische geneeskunst uit het "midden- en nieuwe rijk" is bekend uit een aantal papyri met hieroglyphenteksten (de waterplant Papyrus leverde een op papier lijkende stof, die beschreven kon worden). De Egyptische geneeskunst was hoofdzakelijk in handen van priesters. Daarnaast waren ook niet priesters therapeutisch werkzaam; deze hadden zich meestal gespecialiseerd. Er waren genezers voor oogziekten, keelziekten, oorziekten, maagziekten , longziekten. Deze ver doorgevoerde specialisatie is wel het meest kenmerkende van de oude Egyptische geneeskunst. De Egyptische arts was ook zijn eigen apotheker en kende tal van mineralen en scheikundige verbindingen. De Egyptenaren worden gerekend tot de uitvinders van de farmacie.

Vroeg Griekse geneeskunde: rond 1600 -1100 voor Christus
In deze tijd ontstonden rondom de Asclepios tempel allerlei gebouwen voor de verzorging, zoals badhuizen, massage-inrichtingen, apotheken en geneeskundige scholen.
De eerste aanwijzingen voor het bestaan van een empisische geneeskunde vinden we bij Homerus. Hij beschreef de behandeling van talrijke oorlogsverwondingen. Artsen waren er met name om pijlen uit te snijden en kruiden op te leggen. De vroeg Griekse geneeskunst werd uitgeoefend in tempels gewijd aan Asclepios, de God der geneeskunde. Rondom de Asclepios tempels ontstonden allerlei gebouwen voor de verzorging, zoals badhuizen, massage-inrichtingen, apotheken, maar ook theaters en geneeskundige scholen. De geneeskunde werd uitsluitend door priesters zogenaamde Asklepiaden uitgeoefend. De priesters deden naast droomuitleg ook aan handoplegging, gebedsgenezing, en schreven geneeskrachtige kruiden, massage en badtherapie voor.
De bekende slangenstaf werd als symbool gedragen door Asklepios. De slang legt periodiek de opperhuid af en is daarom het symbool voor nieuw leven.

Natuurfilosofen: rond 500 voor Christus
Onder invloed van de natuurfilosofen begint de geneeskunde zich los te maken van magische religie. Belangrijke natuurfilosofen zijn, Socrates, Plato en Aristoteles. Zij gaan op zoek naar oorzaken en de oorsprong van al het geschapene.
Onder invloed van enkele generaties natuurfilosofen heeft zich, een revolutionaire leer van ziekte en gezondheid ontwikkeld, waarvan de klinisch wetenschappelijke aanpak en de humoraalpathologie het medisch denken ruim 2000 jaar in hoge mate beheerst.
De aandacht van de natuurfilosofen gaat niet speciaal uit naar de mens, maar naar de gehele natuur. Zij gaan op zoek naar naar de oorsprong van al het geschapene, waarbij zij vooral zochten naar de natuurlijke oerstof. De natuurfilosofen kiezen niet voor magisch religieuze oorzaken , maar voor natuurlijke oorzaken voor ontstaan van de kosmos. Deze wijze van van benadering is voor de geneeskunde en vooral voor de westerse natuurgeneeskunde van enorme betekenis geweest.

Hippocrates: 460-377 voor Christus
Beroemdste priester - geneesheer uit de geschiedenis.
Hippocrates bevrijdde de geneeskunst van irrationaliteit, mystiek en bijgeloof en benadrukte de eigen waarneming en empirie. Er ontstaat een omwenteling in het geneeskundig denken.
Ondanks de wetenschappelijke belangstelling waarvan hij voordurend blijk geeft, stond het behandelen van zieken centraal. Hij leert als eerste dat de arts de patient in het ziekbed moet observeren, de klachten en symptomen moet noteren, het verloop van de ziekte moet volgen en het effect van de behandeling moet evalueren. "Het karakter van de mens herkent men aan de ogen. (iriscopie). Deze klinisch wetenschappelijke denkvorm bestaat nog steeds, en deze benadering die Hippocrates en na hem vooral Aristoteles invoerden houdt in dat ziekten natuurlijke oorzaken hebben. De arts kan deze doorgronden bij onbevangen observeren en denken. Centraal in de Hippocratische geneeskunde staat de zogenoemde humoraal pathologie en -therapie. Ziekten zijn verstoringen van het natuurlijk evenwicht en de samenstelling van vier sappen in het lichaam.
Een belangrijke leidraad voor het medisch handelen door de eeuwen heen is de bekende eed van Hippocrates, welke nog steeds wordt gebruikt.

Alexander de Grote, grondlegger van het hellenisme: 365 voor Christus
De geneeskunde komt tot grote bloei , vooral de anatomie en de daarvan afhankelijke chirurgie.
Alexander de Grote was groot bewonderaar van de Griekse cultuur, en bracht Griekse geleerden, en artsen naar gebieden tot diep in Azie. Dit gaf aanleiding tot het ontstaan van het Hellenisme, een vorm van Griekse,sterk van oosterse elementen doortrokken cultuur. Dit is de basis geworden voor onze westese cultuur. Alexander de Grote stichtte de stad Alexandrie. Er ontstonden zeer belangrijke bibliotheken. De beroemdste bibliotheek van de geschiedenis waar meer dan 800.000 boekrollen waren ondergebracht, was een soort academie van wetenschappen.
Voor de medische school van Alexandrie was Hippocrates de autoriteit en het grote voorbeeld. De geneeskunde kwam tot bloei, vooral de anatomie en de daarvan afhankelijke chirurgie. Van de publicaties van de artsen zijn slechts enkele citaten bewaard gebleven.omdat omstreeks 47 v. Ch. de beroemdste bibliotheken voor het grootste gedeelte verloren gingen door oorlogshandelingen en godsdiensttwisten. .

Galenos, Griekse arts: 130-200 na Christus
De enige grote geneesheer in de geschiedenis van het Romeinse rijk, was de Griekse arts Claudius Galenos. Galenos komt tot de leer van de pneuma wat levensgeest betekend. Het pneuma is - ook al enigzins bij Hippocrates - een levensbeginsel, dat aanwezig is in het lichaam en daarin de fysiologische processen in werking zet en bestuurt.
Hij streeft ernaar om de geneeskunde op algemene theoretische humoraal-pathologische grondslagen op te bouwen. Hierin zou anatomie, fysiologie, ziekteleer, therapie en profylaxe ieder hun duidelijke plaats hebben en een volledig concept der geneeskunde ontwerpen.
Dit concept is geheel doortrokken van de idee van doelgerichtheid van de goddelijke natuur en naar de gezondheid strevende levenskracht.
Galenos schreef vele werken en talrijk zijn zijn ontdekkingen geweest die hij aan de hand van dierexperimenten heeft gedaan. Hij wordt tot de grote experimentele fysiologen aller tijden gerekend. Galenos is in zijn poging om alle stromingen in de filosofie,natuurfilosofie en geneeskunde van zijn tijd tot een logisch geheel samen te voegen , maar ten dele geslaagd. Met zijn dood (200 na Chr.) eindigt de klassieke geneeskunst en wordt zijn werk niet afgemaakt. Nietemin heeft zijn synthese zo'n grote indruk gemaakt, dat het "Galenisme" als theoretische grondslag van de geneeskunde eeuwenlang bijna onaantastbaar is geweest.

De middeleeuwen
Toen Galenos stierf was het Romeinse rijk over haar hoogtepunt heen en deed de Christelijke Godsdienst haar intrede. Zij had weinig eerbied voor de oude wetenschappen en de klassieke filosofie. Dit had drastische gevolgen voor de geneeskunde. Beschouwden de Grieken een ongeneeslijke zieke als iemand die men maar aan zichzelf moet overlaten, het Christelijke geloof leerde dat Jezus juist de door ziekte bedreigde mens het heil beloofde. Ziekte werd aanvankelijk als het lot en later zelfs als deugd beschouwd. Het lijden werd gewaardeerd als bestemming van God.
Vanaf 391 na Chr. werd het Chistendom staatsgodsdienst van het Romeinse Rijk. Dit betekende dat al het andere als heidens werd bestempeld en dus verboden. In de geneeskunde was men er vooral op uit de ziel te redden. Dit betekende de opbloei van de ziekenzorg, ten koste van de empirische geneeskunde. In het algemeen was het begin van de middeleeuwen een periode van geleidelijke neergang. Wat er van de klassieke wetenschap met inbegrip van de geneeskunde nog over was gebleven , was voornamelijk geconcentreerd in kloosters. Daar vond men nog mannen die konden lezen en schrijven. Zij waren de enigen die de geneeskunde uit de weinig bewaard gebleven literatuur bestudeerden, maar wetenschappelijke geneeskunde werd er niet bedreven.
De monniken verzorgden de zieken puur uit Christelijke naastenliefde (caritas). Buiten de kloostermuren ontstond schaarste aan artsen. Wel was er de volksgeneeskunde die over empirische kennis van plantaardige en dierlijke geneesmiddelen beschikte. Bijgeloof speelde daarin een grote rol. Gedreven door grote vroomheid probeerde men ook genezing te verkrijgen door gebeden en verzweringen. In grote getale ging men ter bedevaart, ter boetedoening voor begane zonde, maar ook in de hoop op genezing.

Rond 1200: West-europa komt tot nieuwe economische en culturele bloei
In deze tijd kwam men tot het stichten van universiteiten. De leerstof voor de geneeskunde bestond uit teksten van de grote artsen uit de klassieke Oudheid - vooral van Hippocrates en Galenos . De praktische chirurgie die door veelal ongelettterde barbiers werd uitgeoefend, werd niet aan de universiteiten gedoceerd. De barbierchirurgijn behandelde wonden en fracturen en deed chirurgische ingrepen.
Rond 1225-1274 Thomas van Aquino: een van de belangrijkste denkers van de middeleeuwen.
Een van de belangrijkste denkers van de middeleeuwen was Thomas van Aquino. Hij heeft een verbinding tot stand gebracht tussen de toenmalige Christelijke Platoonse visie enerzijds en de herontdekte zienswijze van Aristoteles anderzijds. Hij bekritiseerde het traditionele middeleeuwse mensbeeld: de mens bestaat uit twee onafhankelijke werkelijkheden nl, de ziel en het lichaam.
Thomas van Aquino neemt het uitgangspunt over van Aristoteles. De mens is een fundamentele eenheid van lichaam en ziel, van stof en geest. Wat zijn opvatting over de aard van de menselijke ziel betreft wijkt Thomas af van Aristoteles, welke uitging van een driedeling. Thomas benadrukt de ongedeelde menselijke ziel, die onsterfelijjk is en dus op zichzelf kan bestaan. Vanaf de renaisance o.a. door toedoen van Decartes begon zijn invloed af te nemen echter in de negentiende en twintigste eeuw ontstond weer een belangrijke opleving van zijn denken.

Fytotherapie
In de middeleeuwen is een groot aantal boeken over fytotherapie geschreven. Monniken schreven er veel boeken over en voegde daar hun eigen kennis aan toe en stichtten op vele plaatsen kruidentuinen. Karel de Grote stimuleerde dit door een speciale verordening "Capitulaire Carolus Magnus de villis."
Een bekende naam in de middeleeuwen is:
Hildegard van Bingen (1098-1179) abdes van het klooster bij Bingen ook bekend als de Heilige Hildegard, schreef enkele boeken over geneeskruiden. Ze had een grote wetenschappelijke kennis gebaseerd op Galenos.
Er waren nog meer monniken en professors welke belangrijke boeken hebben geschreven, sommige met prachtige afbeeldingen en zo de kennis heel nauwkeurig voor ons bewaard.

Paracelsus
Aan het einde van de middeleeuwen treedt een Zwitserse arts / alchemist naar voren , die als afsluiter van de Middeleeuwse geneeskunde de geschiedenis in zou gaan. Zijn naam was Theophrastus Bombastus von Hohenheim (1493/1541) kortweg Paracelsus.
Hij verwierp de "sappenleer" en voerde de chemische Trias in: de natuur bestaat uit 3 elementen: kwik, zwavel en zout.
De mens heeft 5 beginselen (entia). Dit zijn toestanden van "zijn", waarop de oorzaak van ziekten zijn terug te voeren. De mate van harmonie tussen de verschillende entia bepaalt de gezondheidstoestand.
Deze 5 entia zijn:
1. Het fysieke lichaam, de zichtbare vorm
2. het etherische lichaam, dat het klierstelsel beheerst
3. het astrale lichaam met als werkingsveld het zenuwstelsel
4. het "ik", dat zich uitdrukt in het circulatiesysteem.
5. het ware zelf in de mens, het oer -eigene van de mens.
De kracht die in het lichaam alles beheerst, werd door Paracelsus archaeus genoemd en gelokaliseerd in de maag. Bij ziekte schiet deze kracht tekort.
De arts kan aan de archaeus van de natuur stoffen en machten onttrekken, die de falende archaeus van het lichaam kunnen helpen.
Door zijn visie en kritiek op Hippocrates, Galenos en de Arabische literatuur moest hij Bazel verlaten.
Paracelsus poogde van kruiden de inhoudsstoffen te isoleren met behulp van gisting (spagyrische middelen).
Hij identificeerde als eerste reumatiek , nier - en galstenen als stofwisselingsziekten en ontdekte dat stofwisselingsproducten, die normaal met de urine uitgescheiden worden, zich in verschillende organen kunnen ophopen.
Paracelsus ontdekte dat arsenicum-vergiftigingen genezen door een kleine dosis arsenicum.
Hij stimuleerde als alchemist de invoering van scheikundige stoffen in de geneeskunst. Hij wordt beschouwd als de grondlegger van de iatrochemie.
Iatrochemie heeft als stelling: alle pathologische verschijnselen en de werking van geneesmiddelen uitsluitend moeten worden toegeschreven aan chemische veranderingen.
Maar tegelijkertijd hield Paracelsus zich bezig om aan de natuur "machten"te onttrekken voor genezing der ziekten. Hij verdiepte zich in signatuurleer en magische methoden. Hij deed aan spirituele genezing , waarbij hij gebruik maakte van overleden deskundigen die adviseerden omtrent diagnose en therapie.

Natuurgeneeskunde
De Middeleeuwse mens leefde sterk met het gevoel dat alles vergankelijk was, waar de epidemieën aan bijdroegen (denk aan de pest).
De Joden kregen hier vaak de schuld van en een jodenvervolging was het resultaat. Zij zouden de drinkwaterbronnen vergiftigd hebben.
Zeker een kwart tot een derde van de bevolking stierf aan het einde van de 14de eeuw aan de pest.
De natuurgeneeskunst bloeide en had veel erkenning bij met name de lagere standen van de bevolking, uitgevoerd door wijze- of vroedvrouwen.
De maatschappij werd erg ontwricht en het vertrouwen in het christelijk geloof werd bij velen zwaar op de proef gesteld.
De kerk probeerde haar macht te behouden door middel van een streng zedelijke moraal en er volgde een rechtstreekse aan val op de vrouwen en al haar bezigheden.
Zij waren de schuld van alle onheil, omdat zij zich bezig hielden met magische handelingen en hekserij. Vrouwen mochten niet meer een beroep uitoefenen. Zij die zich bezig hielden met genezen , werd verweten dat ze ziekte en verderf zouden brengen. De kerk was er niet bij gebaat dat je zonder geloof kon genezen. Heksenjachten waren het gevolg.

De renaissance
In het midden van de 15de eeuw ontstond er een cultuurverandering die zo ingrijpend was dat we van een nieuwe tijdperiode kunnen spreken: de renaissance. Renaissance betekent wedergeboorte. Het was een heroriënteren van de verworvenheden van de klassieke oudheid die de basis gingen vormen.
Klassieke auteurs , Hippocrates en Galenos werden opnieuw bestudeerd in hun oorspronkelijke taal. Het galenisme nam een sterkere positie in dan ooit.
Er kwamen grote uitvindingen zoals het kompas, het buskruid en de boekdrukkunst. Met name het laatste zorgde ervoor dat men beter en sneller kennis konden verspreiden.
Men ging zelf onderzoeken en ging vertrouwen op hun eigen inzichten; kennis werd niet langer vanzelfsprekend overgenomen van vroeger.
In deze tijd ontdekte Columbus een nieuwe wereld en Copernicus (1473-1543) toonde aan dat de aarde om de zon draait en niet de zon om de stilstaande aarde zoals men eerst dacht. Galilei (1564-1642) sloot zich hierbij aan en legde de basis voor de huidige natuurwetenschap. Deze ging niet meer uit van het "wezen"of het "streven" van dingen, maar van de kwantitatieve wiskundige bewijsvoering.
De renaissance werd gekenmerkt door grote nieuwsgierigheid.
Er kwam een scheiding tussen de natuurwetenschap en de natuurfilosofie; dit in tegenstelling tot de visie van Aristoteles.
Er kwamen vele universiteiten die uitgingen van praktische demonstraties. Zij bezaten een kruidentuin , een anatomisch theater en waren ingesteld op de stoffelijke wereld. Botanie, anatomie en fysiologie bloeiden weer op.
Wetenschappers gaan de mens, de wereld en het heelal als een soort ingewikkelde machines beschouwen.

Descartes
De franse filosoof René Descartes (1596-1650) verwierp de natuurfilosofie van Aristoteles en de uitgangspunten van het middeleeuwse denken (scholastiek) Hij ging voortaan uit van het zogenaamde methodisch twijfelen. Dit houdt in : aan alles twijfelen en niets meer voor zeker aan nemen. Op deze wijze kon hij alles "wegdenken" , behalve het feit dat hij zelf dacht. (Ik denk, dus ik besta: "Cogito ergo sum")
Alles moet zeker en waar zijn: De onbetwijfelbare zekere kennis
Gekenmerkt door:
1. helderheid en welonderscheidenheid
2. onwrikbaar fundament
3. tot stand gebracht door het verstand
Deze grondslag bestond dus uit een rationeel volkomen helder en duidelijk inzicht. Zijn uiteindelijke doel is een praktische en nuttige wetenschap, zodat de mens heer en meester van de natuur kan worden.
Descartes was een dualist. De mens is volgens hem opgebouwd uit twee verschillende substanties, die onafhankelijk van elkaar zijn en niet tot elkaar herleidbaar : de geest/het denkende en het lichaam/de stof .
In het dier ontbreekt de geest/het denkende en is dus uitsluitend stof/lichaam.
De mens bestaat uit beiden die wel met elkaar onderling wisselwerken in de vorm van emoties. De pijnappelklier is volgens zijn beredenering de coördinator van alles, via de meest bewegelijke delen van het bloed. Dit alles is niet mogelijk zonder de voortdurende medewerking van God.
Natuurwetenschappelijke geneeskunde
In de middeleeuwen ontstonden zo genoemde gasthuizen ten behoeve van armen, zwervers, landlopers en pelgrims en richten in deze tijd hun aandacht voornamelijk op zieken die zelf geen arts konden betalen.
De stads-chirurgijn voerde er operaties uit en ging zich steeds meer toeleggen op medisch onderzoek en behandelmethoden , zoals aderlaten, schröpfen en bloedzuigers plaatsen.
Het visitelopen werd een vast onderdeel van de taak van de chirurgijn en de universitair-arts kwam eenmaal per week toezicht houden over zijn werk.
Dit werd in de 17de eeuw verplicht en het accent werd langzaam verlegd van verzorging naar therapeutisch ingrijpen. Het gasthuis werd steeds vaker hospitaal genoemd.

Anatomie
De anatomie is vooral in de 16de eeuw tot bloei gekomen. Een bekende anatoom is Andreas Vesalius ( 1514-1564). Hij beschreef de menselijke anatomie, na onderzoek op een menselijk dood lichaam. ( titel: " De humani corporis fabrica libri septem"uit 1543)
Het was een 7 delig boek wat op 200 punten afweek van de anatomie van Galenos die zich had gebaseerd op dierlijke anatomie. Dit veroorzaakte grote opschudding bij de geleerden vooral de aanhangers van Galenostheorie.
Vesalius voerde de Latijnse benaming (nomenclatuur) in de geneeskunde in.
Langzaam maar zeker ging zich een mechanistische visie t.a.v. het menselijk lichaam ontwikkelen en men probeerde de fysiolgie vanuit de anatomie te begrijpen.
Waarnemingen gaan verklaard worden in de termen "oorzaak en gevolg".

 

De periode van 1600 tot heden volgt later.